Omdat wij zelf eigenlijk voor geen meter kunnen schrijven, hebben we wat volk opgeschaard om voor onze Fiction Issue een aantal kortverhalen neer te pennen. Uiteindelijk kregen we er zo veel dat ze niet allemaal in het magazine konden. Gelukkig is onze blog oneindig groot, dus kan jij vandaag intelligent doen en tegen mensen zeggen dat je iets gelezen hebt dat niet over de financiële crisis ging.
De vulkaan dampt lustig in de ochtendkilte. Het platform, dat enkele meters boven de rand van de krater zweeft, is volledig verhuld door de dichte waterdamp en de man en de vrouw die erop staan zijn doordrenkt met warme druppels. Ze hebben hun pistolen getrokken, op zoek naar elkaar, maar kunnen amper hun eigen loop zien. Het platform is enkele tientallen vierkante meters groot en biedt meer dan genoeg plaats om verdwaald te blijven in de mist, terwijl het gehis en gekis van magma en water een ruis vormt die alle andere geluiden camoufleert. De man, net geen jongen meer, heeft zich met zijn rug tegen de pilaar in het midden van het platform gezet en probeert op die manier, stap voor stap, de hele omgeving in het oog te houden. De vrouw, al lang in de schemerjaren van haar leven, zit gehurkt tegen de buikhoge rand en houdt haar wapen naar het midden van het platform gericht. Ze ademen allebei moeizaam, door de zware dampen, maar evengoed door de weken die hen naar dit punt hebben geleid. Vermoeidheid en half genezen verwondingen spelen hen enigszins parten, maar de opleiding en training die ze hebben gekregen laat niet toe dat dit hun opdracht in de weg staat.
Een krachtige wind klaart de lucht rond de krater enkele momenten op. Hun identieke uniformen, aansluitend matzwart leer met glanzende metalen pantserplaten, glinsteren fel in in het zonlicht. De man laat zich zakken, wanhopig op zoek naar zijn doelwit, maar kan de vrouw niet zien. Zij zit schuin achter hem en vuurt tweemaal. Het eerste schot raakt hem op zijn hand en hij laat zijn wapen vallen. Bij het tweede schot fronst ze en steekt haar pistool, de batterij volledig leeg, terug in haar holster terwijl ze naar hem toe sprint. Ze mikt haar stamp tegen zijn slaap, maar hij buigt opzij en zijn voet schiet naar boven en treft haar in de buik. Nog voor ze, happend naar adem, op haar knieën gevallen is, staat hij terug recht, zijn pistool in zijn andere hand.
“Genoeg!”
In zijn stem klinkt een authoriteit door die ze niet verwacht had en ze blijft op haar knieën zitten. Een rust maakt zich van haar meester terwijl een wolk waterdamp, dunner dan ervoor, opnieuw rond het platform komt te hangen.
“Dit is het einde, jongen. Wij twee, de laatste twee van onze orde. Daar kan niets nog verandering in brengen.”
“Iedereen vertrouwde je. Ik vertrouwde je. En je hebt ons allemaal verraden.”
Ze zucht en begint moeizaam op te staan. Hij maakt een schichtige beweging met zijn pistool, maar ze wuift het weg.
“Je hebt gewonnen, jongen, hoewel ik niet volledig verloren heb. We waren onszelf kwijt. Je weet dit evengoed als ik. Toen ik zo oud was als jij, was dit uniform een symbool van veiligheid en voorspoed, de bescherming van de mensheid tegen het universum en tegen zichzelf.”
“Dat is het nog steeds!”
De vrouw stapt naar de rand van het platform en staart kort in het wit rondom haar, terwijl de jongen haar op een afstand volgt, dicht genoeg dat hij haar niet uit het oog verliest, ver genoeg dat ze niet aan hem kan.
Zonder zich om te draaien vraagt ze “Je laatste opdracht, voor dit alles begon, wat was het?”
Hij aarzelt kort. “Een opstand in de Karzaicluster.”
“Een opstand? Voedselrellen, jongen. Omdat de kolonie niet genoeg winst maakte, kregen ze niet genoeg eten. Tegen wie beschermden we hen, in feite?”
“We doen wat nodig is!”
“We doen wat nodig is om onszelf en onze macht te vrijwaren.” Ze kijkt hem terug aan met een nieuwsgierige blik. “Maar misschien heb je gelijk. Misschien hoeft dit niet het einde te zijn.” Hij richt zijn wapen met twee handen op haar gezicht, maar ze schudt haar hoofd. “Nee, jongen, niet voor mij. Mijn tijd zit erop. Maar nog niet voor jou, voor onze orde. De corruptie, de angstvallige machtsgeilheid, die is gestorven met de rest. Jij, jij bent nog niet zo aangetast door het systeem.”
Hij laat zijn wapen iets zakken. “Ik kan dit niet alleen.”
“Nee, maar je zal niet lang alleen zijn. Toon de mensheid dat we ons pad teruggevonden hebben en je zal overspoeld worden door nieuwe vrijwilligers. Leer van de fouten die gemaakt zijn en leid hen op als de symbolen die ze moeten zijn, zoals het ooit was.”
“We zijn er slecht aan toe.”
“De mensheid is veerkrachtig. En hier.” Ze haalt een kleine metalen koker uit de buidel aan haar riem. “Dit is alles wat je nodig hebt om opnieuw te beginnen. Fondsen, technologie, informatie. Dit was het vluchtplan van de Eerste, voor ik hem... Wel, ja, hier.”
Hij laat zijn wapen zakken en steekt zijn gewonde hand uit om de koker aan te nemen. Op het moment dat hij de laatste stap naar voren zet, breekt de zon opnieuw door de wolk en grijpt de vrouw naar haar dolk. De man knijpt instinctief zijn ogen dicht tegen de weerkaatsing op haar pantserplaten en voelt wat er gebeurt voor hij het kan zien. Het vlijmscherpe lemmet van de dolk is twintig centimeter lang, waarvan de laatste vijf in een kromming van negentig graden, en in één beweging snijdt ze door vlees, bot en pezen van de hand die zijn wapen vastheeft. Met een schreeuw van pijn en ontzetting valt hij achteruit. De vrouw bukt zich en raapt het pistool op. Ruw trekt ze zijn hand er vanaf en gooit het over de rand, voor ze het wapen op hem richt.
“Wa... Nee!”
“Sorry, jongen. Je idealisme is bewonderenswaardig, maar niet voldoende. We hebben iets nieuws nodig, en daar kan jij niet voor zorgen.”
“En jij wel?!” Met alle macht die hem nog rest probeert hij de aders in wat hem nog rest van zijn polst dicht te knijpen.
“Nee, ik heb mijn taak volbracht. Nu is het aan iemand anders. Sorry dat het zo is moeten lopen.”
Hij probeert op te staan, maar een te groot deel van zijn bloed vormt nu een uitdijende plas rondom hem. Na enkele pogingen legt hij zich languit op het platform. “Ik vertrouwde je, moeder.”
“En daarvoor ben ik dankbaar. Ik hou van je, Kasper.”
Zijn ogen zijn gesloten en zijn stem is zwak. “Ik ook van jou, mam.”
“Slaap nu maar, jongen.”
FOLKER DEBUSSCHER
Comments